Tussen kunst en kitch in Kyoto (4/5)

Matsuyama – Kyoto – Nara

Na 2,5 dag Matsuyama is het toch echt tijd om verder te reizen naar Kyoto. Kyoto is de oude keizerlijke hoofdstad van Japan en grotendeels gebaseerd op Xian, inderdaad de oude keizerlijke hoofdstad van China. We zijn Matsuyama per boot binnengekomen en verlaten haar per trein. De trein zal over de Seto-Ohashi brug gaan, een aaneengesloten verzameling van zes bruggen en vijf viaducten over een lengte van 13 km. Onderweg doet hij vijf eilanden aan die als steunpunt dienen. Tijdens de opening in 1988 vormden 100.000 Japanners een menselijke keten tussen beide eilanden. Boven het spoor loopt een vierbaans autoweg.

japan_header_04_kyoto.jpg

Het eerste gedeelte is met de stoptrein die slechts 150km per uur gaat. En dat zonder die bliksemse blaadjes op de rails. Een paar minuten voor we de brug opgaan loop ik naar voren. Beetje raar, tussendeuren zijn dicht. Het Japanse spoorwegpersoneel opent ze voor me maar begint als ik mijn camera laat zien driftig allerlei handgebaren te maken. Als ervaren reiziger denk ik:
“niets van aantrekken, ambtenaren”
Een reisgenoot staat al voorin te filmen. De conducteur in het voorste rijtuig probeert me uit alle macht iets uit te leggen. Geen flauw idee.
“Laat me met rust”
Op de een of andere manier begrijp ik eindelijk wat de conducteur bedoelt. De trein wordt gesplitst. Weer zo’n Japanse logica. Rennend over het perron naar wagon drie, mis ik mijn maatje Frans, hij heeft gekozen voor een elegante terugtrekking door de wagons. Uiteindelijk bezorgen onze capriolen de Japanse spoorwegen een vertraging van bijna twee minuten. Voor degenen onder jullie die denken dat is niets. Herinner je je het spoorwegboekje van de japanse conducteur met aankomst 11:24:10 en vertrek om 11:24:55? Dat betekent in 45 seconden alle passagiers in- en uit laten stappen. In het spoorboekje van de reiziger staat overigens aankomst: 10:24, vertrek 10:24. NS lezen jullie mee? Niks geen flauwekul over blaadjes, winterse omstandigheden, materiaalgebrek, weersalarmen of eenhoorns die het spoor onveilig zouden maken. Ik hoop alleen niet dat het treinpersoneel vanavond rituele zelfmoord pleegt omdat een paar Hollanders de boel door de war sturen.

Tijdens onze dagtrip in Matsuyama waren we ook al in de verkeerde trein gestapt. In Japan worden alle stoelen gedraaid in de rijrichting van de trein (hallo NS: en zitplaatsen en stoelen in de rijrichting!) We dachten dat we er uit moesten omdat de stoelen gedraaid werden, maar het bleek dat er op het perron twee treinen achter elkaar stonden. Dat verzin je zelf echt niet.

De aankomst in Kyoto is echt een cultuurschok, tot nu toe hebben we nauwelijks buitenlanders gezien, maar in Kyoto wemelt het ervan. Logisch, het is een enorme toeristische trekpleister. Alle hotels hebben wel iets bijzonders, in Kyoto hebben de hoofdkussen een harde en een zachte kant. De harde kant is net een plank en de zachte kant… Ach het zal wel iets typisch Japans zijn, ik slaap er niet minder om.

René, onze reisleider is geweldig. Leuke vent met veel enthousiasme. Iedere keer voor we vertrekken krijgen we een pak reisinfo van hem met toeristische highlights, waar de supermarkten en geldautomaten zitten en nog veel meer. Uiteindelijk zijn het 94 pagina’s. Nog nooit meegemaakt.
Hij heeft een foto website: www.happytravels.nl, woont in China en organiseert (vaak onder een ander label) zelf ook reizen naar onder andere China en ik dacht Birma. Als je nieuwsgierig bent, je kunt ‘m bereiken op happytravels@yahoo.com. Een beetje reclame, maar hij verdient het.

Het allergrappigst is wel dat hij aan het begin van de reis al begon met te zeggen:
“Dit is de allermooiste zentuin van de hele reis”
Natuurlijk zei hij een uur later:
“Dit is echt de allermooiste zentuin van de hele reis”
Dat ging zo verder met:
“Dit is het meest indrukwekkende boedhabeeld van de hele reis”
Enzovoort. Gelukkig had René het mis, er is zoveel moois in Japan en zeker in Kyoto. In Kyoto is zelfs zo veel te zien dat René het opgaf om in zijn notities alle bijzondere plekken te vermelden. Er is gewoon teveel. Zo zijn we op de aankomstdag naar de Sanjusagendo tempel geweest, wederom adembenemend. Er staan duizend Boedha beelden, meer dan honderd daarvan zijn uit 1164, de rest dateert uit de dertiende eeuw. Het idee alleen al dat sommige beelden bijna 900 jaar oud zijn is fantastisch. Al die beelden bij elkaar zien is meer dan indrukwekkend. Veel dichter bij de eeuwigheid kom je niet in dit leven.
Fotograferen mag niet omdat de tempel zo hoopt meer boekjes en ansichtkaarten te verkopen. Een strategie die weinig hout snijdt in de tijd van het internet. Iemand heeft een ansichtkaart gekocht en buiten de tempel staat iedereen die te fotograferen. Of ik ook een foto wil maken? Laat maar.

De volgende dag bezoeken we het gouden paviljoen met daarin de kinaku-ji tempel. Werkelijk prachtig. Ook bezoeken we het paleis van de shogun, het nijo-jo kasteel. Het paleis is zo gebouwd dat als je er over loopt de planken kraken. Dat is erg handig als je indringers verwacht. Er wordt van gezegd dat het geluid op dat van zingende vogels lijkt, maar dan moet je wel erg veel sake op hebben.
Omdat ’s middag een aantal dingen op het programma staan die ik niet zo interessant vind besluit ik op eigen gelegenheid naar het bamboebos te gaan. Op de omslag van mijn Lonely Planet reisgids staat een prachtige foto van dat bamboebos en ik moet het zien. Even gepuzzeld met de kaart en reisgids en op de bus gestapt. Als ik uitstap bij de bus zit ik midden in het landelijke Japan. Het zal wel denk ik. Ik moet ergens overstappen en dan zou het zichzelf moeten wijzen. Ik begin een stukje te lopen, maar de bebouwing wordt allengs minder. Ik loop langzaam richting heuvels, mij orienterend op de zon voor de richting. Ik heb ook de kaart nog gecontroleerd of de roos wel naar het noorden wees. Een week eerder had ik een kaart gekregen die op het oosten georienteerd was. Hoe meer ik op de kaart kijk, hoe minder ik ervan snap. Na anderhalf uur heen en weerlopen geef ik het op. Ik loop terug naar een bushalte en ga naar de stad. Ondertussen blijkt dat de groep snel klaar was en ook naar het bamboebos wilde. Zij hadden het wel gezien, reisleider had wel moeite gehad om het te vinden, maar goed.

De dag erna ga ik weer alleen op pad omdat ik de 10.000 torii wil zien. Ik loop naar het metrostation en zoek halte Inari, maar zie hem niet op het bord. Heel geduldig loop ik met mijn vinger alle haltes af maar ik zie hem niet. Na een minuut of vijf wordt ik aangesproken door een bejaard echtpaar in hun beste Engels.

“Where yu goe”
“Inari, sir”
“Hai”
Het blijkt dat de halte Fushima Inari en dan nog wat heet. De oude man wijst me de juiste halte en helpt me met het kopen van een metrokaartje. Hij is zo aardig dat ik niet tegen hem durf te zeggen dat ik weet hoe het werkt. Vervolgens zegt hij iets in het Japans:
“An Rwrrr”
Ik zeg uh en denk het gaat niet over Anton Geesink die hier nog steeds wereldberoemd is. Het blijkt André Rieu te zijn die twee concerten in Japan heeft gegeven.
“André Rieu very good” zegt de oude heer. Vervolgens begeleid hij mij naar het metropoortje en ik neem afscheid van hem en zijn vrouw met een zeer welgemeend “domo arigato”.
De hulpvaardigheid van mensen in Japan is wereldberoemd, twee weken geleden in Nagasaki hebben we er ook al kennis mee gemaakt. Na een dag rondlopen bij dertig graden hadden Koen en ik zin in een biertje. Midden op een voetgangersbrug boven de weg stonden wij met onze kaart te zoeken. Ik vroeg me toen hardop af hoe lang het zou duren voor iemand ons zou helpen. Binnen een paar minuten kwamen er twee jongemannen op ons af en wezen ons de weg naar de wijk met barretjes. Helaas voor ons ging alles pas om zes uur open.

De wandeling in het Fushimi Inari Taisha complex zou voor sommige mensen te zwaar zijn en staat daarom niet op het programma. Of er echt 10.000 poorten staan weet ik niet, maar de torii worden wel gesponsord door bedrijven. Het is een wandeling over een trap-achtig pad dat een heuvel opgaat, een kilometertje of vier. Het is werkelijk prachtig en het is zonde dat het niet in het programma is opgenomen. Ik heb er de hele ochtend rondgelopen en ontzettend genoten. Soms is het ook lekker om niet met een grote groep rond te lopen.
Natuurlijk moet ik ook nog naar het bamboebos en ik besluit vanuit het station van Kyoto een klein stukje te lopen naar een ander treinstationnetje. Volgens mijn kaart zou ik naar het noorden moeten lopen, maar hoe kan ik dan om 12 uur ’s middags de zon aan mijn linkerkant zien. Blijkt dat de de roos op de kaart een kwart slag gedraaid is. Verklaart waarom ik gisteren de weg niet kon vinden. Vanuit het stationnetje is het bamboe bos echter snel gevonden en de teleurstelling is groot. Zoals vaker slaat de Lonely Planet Japan de plank volledig mis. Maar goed ik heb het gezien. Ik neem het lokale boemeltje terug naar de stad terwijl oma in slaap valt tegen mijn schouder in het lokale boemeltje. Ik heb haar maar laten slapen.

Omdat het de middag nog niet voorbij besluit ik naar het manga museum te gaan. Van tevoren was ik gewaarschuwd dat het tegenviel, maar ik was nieuwsgierig. Nou het viel echt tegen! Eigenlijk is het een grote bibliotheek van drie verdiepingen met manga in het Japans. Er staat een kastje met Westerse stripboeken waaronder Kuifje, Batman en XIII, maar wat dat nu weer met manga te maken heeft? Op de derde verdieping een tentoonstelling die suggereert de vraag te beantwoorden wat manga is in een aantal panelen. Ook hier wordt de plank volledig misgeslagen. Een van de panelen beantwoord de vragen of manga auteurs miljonairs zijn. Het antwoord: nee. Vervolgens vragen de samenstellers zich af of cosplay (verkleedpartijtjes voor volwassen bij wie er iets in de kindertijd is misgegaan) en steampunk (idem) manga zijn. Geloof niet dat ze hun eigen vraag beantwoorden. Ik sta binnen een kwartier weer buiten. Er waren nog wat andere buitenlanders, de teleurstelling op hun gezicht is net zo groot als die van mij. Volgens de Lonely Planet was het de topattractie in de wijk. Misschien als je Japans kunt lezen!

De volgende dag stond een uitstapje naar Nara op het programma. Nara is de eerste keizerlijke hoofdstad van Japan. De halte nadat wij zijn ingestapt komt een volledige Japanse klas de trein binnen, ik schat dat ze een jaar of zes zijn en rijkelijk behept met de natuurlijke nieuwsgierigheid van kinderen. Af en toe zie je een hoofdje vanuit het middenpad boven de zitting tevoorschijn komen. Blijkbaar staat de stoerste achter mij en ik draai mij om en vraag hoe hij heet. Hij zegt heel trots zijn naam. Na nog een paar vragen is zijn repertoire uitgeput en ik kijk de andere kant op. Zie ik al die andere kinderen met hun hoofd boven de bank uitkomen en ademloos naar mij kijken. Net een stelletje gremlins. Blijkbaar waren die guppies verbaasd dat ik kon spreken. Geweldig. In Nara aangekomen lopen we nog veel meer schoolkinderen tegen het lijf. Ik besluit iets van de groep af op een muurtje te gaan zitten en binnen een paar tellen staat er een dappere lagere school leerling voor mijn neus, die mijn naam wil weten. Ik weet niet hoe Gert-Jan in het Japans klinkt, maar hij kijkt bedenkelijk. Ik probeer nog een beetje met hem te praten, dat lukt aardig zolang hij door zijn juffrouw gesoufleerd wordt. Super.

Op de een of andere manier zijn de Japanners dol op Bambi en haar soortgenoten, want wederom loslopende herten. Sikaherten dit keer. Een paar Japanse tienermeisjes hebben wat beschuit gekocht om aan de herten te voeren maar blijkbaar gaat het de herten niet snel genoeg en beginnen ze zich op te dringen. Veel tienergegil natuurlijk, ondertussen vergetend de hertjes te voeren. De hertjes blijven dichterbij komen en met angstig gegil beginnen de meisjes rondjes te rennen, zakje beschuit in hun handen, herten erachter aan. Te komisch voor woorden. Als je puur op het gegil afgaat zou je denken dat er minstens een hele enge spin van wel twee centimeter in hun haar zit, niet dat ze door een paar poezelige bambi’s achtervolgd worden. Geef die beesten dan ook dat beschuit.
Nog meer tempels gezien (wederom mail me voor de details). Wat me opvalt is dat een aantal mensen van de groep nergens naar binnen willen en de hele dag alleen maar meelopen en buiten wachten. Kan me niet voorstellen dat het zo leuk is. Later bij een biertje heb ik het erover met een paar mensen. Blijkt dat voor sommige mensen het alleen van belang is dat ze in Japan zijn geweest omdat hun vrienden dat niet zijn. Knettergek wat mij betreft. Japan heeft zo veel te bieden.
De hele dag worden we al belaagd door lagere school leerlingen die met buitenlanders moeten praten.
“Hello, my name is…”
“Can I ask you question what is your name?” (Geen pauze)
“Where are you from?”
“Please write your name down.”
Op weg terug naar het station wordt ik door een groepje van vier jongetjes staande gehouden. Drie keer hetzelfde gesprekje, de vierde durfde niet eens wat te zeggen en duwde me zijn schrift onder de neus. Ik was de enige naam in zijn schrift. Arm menneke.

Bij het avondmaal wordt bewezen dat:

  1. Japanse vrouwen niet tegen alcohol kunnen.
  2. Japanse vrouwen die niet tegen alchohol kunnen geen korte rokjes moeten dragen.
  3. Japanse vrouwen met korte rokjes die niet tegen alcohol kunnen niet moeten gaan tijgeren over de eettafel.

Verder wordt er die avond nog bewezen dat Japanse vrouwen niet van die onderdanige typjes zijn zoals in veel boeken en films worden beschreven. Links van ons zit een stelletje van middelbare leeftijd en ineens geeft zij hem een klap in zijn gezicht gevolgd door nog een paar. Hard. Duidelijk boos begint ze ‘m te prikken met een cocktailprikker. Dat gaat zo een halfuur door terwijl de man schaapachtig zit te lachen. Geen idee wat er aan de hand is maar vlak voor ze weg gaan haalt zij nog een paar keer uit naar hem. Misschien dat hij al hun geld in een van de vele pachinko speelhallen verloren heeft.
Pachinko is een gokspel op een soort hangende flipperkast. Je ziet de pachinko speelhallen overal. Ik ben er in eentje binnengeweest. De muziek staat keihard (zelf voor een geharde dj als ik), het is vreselijke j-pop en de airco staat er op standje ijscoman. Mensen kunnen daar uren zitten spelen. In het verleden waren de speelhallen in het bezit van de Japanse maffia, maar naar verluidt hebben die ze overgedaan aan de Koreanen. Geldprijzen zijn verboden in Japan, maar daar is een oplossing voor. Als je in een spel wat wint dan kun je dat in een winkeltje verderop “verkopen” voor een vaste prijs. Handig toch je houdt je aan de wet terwijl je tegelijkertijd de bedoeling van de wet onderuit haalt.

Enfin tijd om naar bed te gaan want morgen gaan we naar Tokyo, einddoel van de reis.

Uw aller Gert-Jan kon

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*