Boeddha hopt verder (2/3)

Inmiddels bevinden we ons in Laos. De afgelopen week het laatste stukje Vietnam gedaan en heel even in China geweest. Eerlijk is eerlijk: Vietnam is een fantastisch land en ik wil er heel graag terugkomen. De mensen zijn bijzonder charmant, waanzinnig aardig, vriendelijk en werken keihard om hun land op te bouwen. Echter het was ook super om weer in China te zijn.

indochina_monnik

Na ons bezoek aan Sa Pa in Vietnam, waar de natuur overigens schitterend is, zijn we doorgereis naar het plaatsje Bac La waar we de lokale markt hebben bezocht. De vrouwen lopen er in klederdracht, bijzonder kleurrijk en voor de verandering eens niet voor de toeristen. Je merkt wel dat het een arm gebied is. Weinig geplaveide straten en veel modder. In die modder staat op de markt ook de stoel van de kapper. Dan blijft er weinig over van het Westerse schoonheidsideaal. Ik heb me er maar niet aan gewaagd, ondanks het feit dat de groep mijn haar al lang vind worden (inmiddels ruim twee milimeter).

‘s Nachts hebben we in een paalwoning bij de locals geslapen, de hele groep in een ruimte. Goed voor de teambuilding. We hebben drie snurkers in de groep dus dat was spannend. Ik heb als een roos geslapen tot een demente haan om half drie ‘s nachts begon te kraaien. Na een spannend tochtje naar de buitenwc (je hebt geen idee hoe donker het ‘s nachts kan zijn in het open veld) weer heerlijk verder geslapen.

Vervolgens zijn we naar de Vietnamees-Chinese grens bij Lao Cai gegaan. Ondertussen had onze Vietnamese bus het half begeven (de achteruit deed het niet meer) dus reed de chauffeur als hij moest keren een helling op en liet de bus dan voorzichtig achterstevoren naar beneden rollen.

De grens zelf is een lange brug die Vietnam en China scheidt. Aan beide zijden staat een soort triomfboog, waarbij het lijkt of ze een wedstrijd hebben gedaan wie de lelijkste neo-communistische betonkolos kan neerzetten. Na een uur wachten kregen we een uitreisstempel voor Vietnam in ons paspoort en konden we de grens oversteken. Aan de Chinese kant zowaar een vriendelijk douanebeambte die formuliertjes uitdeelde. De rest van de reis werden de Chinezen gelukkig weer ouderwets chagerijnig. Vervolgens lekker in de rij gestaan. Ik en Phides, mijn reisgenoot en ook dj, stonden als laatste in de rij. Hij reist op een Indonesisch paspoort en dat begrepen ze niet dus nij naar een apart kamertje, ik erachter aan:

“He’s my friend, can I stay?” Moeilijk moeilijk, maar mocht toch. Phides’ hele paspoort ingescand en na een half uur mochten we door. Vervolgens bleek mijn paspoort interessant te zijn, met name mijn Iraans visum, dat moest door diverse beambten bekeken worden. Vervolgens vragen ze wat is het.

“O, Iran, euh, waar ligt dat dan?”

Daarna vroegen ze aan me of ik Chinees sprak. Op dat moment denk je toch even van: he?, waarom vraag je dat alleen aan mij en niet aan mijn reisgenoten. Op dat moment wordt je toch wat achterdochtig. Just because you’re paranoid it doesn’t mean they’re not out to get you. Enfin, eindelijk China binnen, is er geen bus. In Zuidwest China (de provincie Yunnan) waren enorme overstromingen geweest waardoor grote stukken van de weg weggevaagd waren. Op zich geeft het niet dat de bus er niet was, alleen we moesten nog minimaal tien uur met de bus. Uitendelijk waren de chauffeurs er rond zes uur ‘s avond. Om zes uur de volgende ochtend kwamen we op de plaats van bestemming, het Stenen Woud (http://www.chinastoneforest.com) bij het plaatsje Shillin. Toen kwam de volgende hindernis. Het hotel lag in het park. We hadden gerekend op een entree van Yuan 55 per persoon, dat is ongeveer € 5.50, maar hij bleek verhoogd te zijn naar Yuan 140 p.p. Omdat we net de grens over waren hadden we alleen wat gewisseld bij een zwarthandelaartje aan de grens en moesten in alle hoeken en gaten zoeken om voldoende chinees geld te vinden om het park in te komen en dus ons hotel in te kunnen. De rit zelf was geen feest, twaalf uur door de modder waar ooit wegen hadden gelegen die inmiddels weggespoeld waren, maar niet naar bed hadden we niet meer getrokken. Gelukkig is alles goedgekomen. De volgende dag zijn we nog kort naar het Stenen Woud geweest, eigenlijk niet echt bijzonder, rotsformaties die je op meer plaatsen in de wereld vind.

Daarna werd het echter wel keileuk, we zijn naar Kunming, de veertiende stad van China gegaan. Het is een echte Chinese stad, men spreekt er absoluut geen Engels, super gewoon. Helemaal cool vind ik dat ik ondanks het lastige accent van de mensen toch een paar dingen verstond. Nadeel is alleen dat als je twee worden zegt je meteen een spervuur over je heen krijgt in het Chinees. Helaas, dat lukt niet. Omdat de meesten nog niet bekomen waren van de helse grensovertocht ging het merendeel uiteindelijk in het hotel eten. Ik ben met twee reisgenoten naar een foodcourt gegaan. tijd voor wat avontuur. Het duurde even voor we doorhadden hoe het werkte en kregen daarbij hulp van de locals die het geweldig vonden dat wij daar kwamen eten. Eerlijk is eerlijk we hebben hele foute en vieze gerechten besteld, die we ook niet opgegeten hebben, maar hebben ook een aantal lekkere dingen gegeten. Toen zijn we aan de praat geraakt met een Chinees meisje dat daar werkte en wat Engels sprak. Met haar uiteindelijk nog wat gaan drinken en een hele leuke avond gehad. We hadden bij het bier ook wat ijs besteld en het valt op dat Chinezen net zo lastig met lepeltje om kunnen gaan als wij met stokje.

Overigens lukt het me na tien jaar oefenen aardig om met stokjes te eten. Ik kneep gewoon te hard. Daar ben ik deze reis achter gekomen. Om te vieren dat ik het eindelijk doorhad heb ik op een gegeven moment ergens spaghetti (!) met stokjes gegeten. Verder merk je in China heel goed dat de olympische spelen enorm leven, bijna iedere avond is er wel een item op tv. Op 08-08, exact een jaar voor de spelen was er zelfs een kwartier aan de oympische spelen gewijd.

De volgende dag zijn we van Kunming naar Jinhong gevlogen, een klein plaatsje van waaruit we naar Laos zijn gegaan. Wederom een spannende grensovergang gehad, maar gelukkig minder tijdrovend.

Op het moment dat je in Laos aankomt zie je meteen hoe arm het is. Je gaat letterlijk terug naar het stenen tijdperk. Ook het contrast met China is enorm. Duidelijk is dat China enorme sprongen vooruit maakt. Natuurlijk is er enorm verschil tussen arm en rijk, maar er is veel rijkdom en in de steden zie je een middenklasse opkomen. In Laos daarentegen moesten we twee dagen rijden om naar Luang Prabang, de tweede stad van Laos te komen. De stad heeft 400.000 inwoners. De eerste dag alleen maar hutjes gezien van hout en stro in de prachtig groene natuur. Echt, je gaat terug naar de prehistorie. Tien procent van de wegen is geasfalteerd in Laos en daarvan is een groot gedeelte ook uiterst beroerd. Qua economische ontwikkeling is Laos het best te vergelijken met landen in zuidelijk Afrika. De mensen zelf zijn erg vriendelijk, maar ook een beetje verlegen. Over Laos de volgende keer meer.

Boeddha, die nog steeds erg happy is!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*